links - sknil

juli 2009

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
web-log.nl, powered by TypePad

NIEUW WEBLOG

Sommige mensen gaan uit,
ik slijt mijn dagen met het op regelmatige basis evalueren van mijn identiteit.
Nou, in mijn laatste sessie moest ik constateren dat ik eigenlijk helemaal geen Nederlander ben!!!
Wel kwart-Waals.

Daarom 1 adres:

www.evamouton.wordpress.com
Met, naast mijn immer vermakelijke teksten (die nog moeten worden aangevuld), nu ook:
EEN BIOGRAFIE! EEN OVERZICHT VAN PUBLICATIES! TENTOONSTELLINGEN! COLUMNS!

en dus niet meer, NOOIT meer:
http://evamouton.web-log.nl

De koekjes liggen reeds gerangschikt op kleur en vorm, in ronde schalen,
ons vader is nog snel om een taartje, de koffie loopt al door.
En nu kunnen we alleen nog maar wachten op het volk.

De kalender

Onlangs werd er beslist dat ik nodig eens naar de homeopaat toe moest. Zo geschiedde op maandag 6 oktober 2008. Men reed mij naar Sint-Niklaas. Het was nog vroeg, de treinen staakten en we hadden veel auto's op de weg verwacht. Eigenlijk was het ontzettend kalm, zodoende kwam ik een halfuur te vroeg op de bestemming aan.

In de wachtzaal speelde er klassieke muziek waar ik behoorlijk kalm van werd. Ik geeuwde en keek in de spiegel. Voor de gelegenheid had ik maar eens geen make-up op mijn gezicht geklad. Dokter moest zien dat ik moe was! Toen bladerde ik door een boekje over de homeopathie en las ik een stripverhaal over mama's gebroken been, en de thuishulp die toen kwam, omdat papa het huishouden onmogelijk bol kon werken. Wat goed van die thuishulp zeg!

De dokter wees mij een stoel aan. Ik ging zitten. Links van mij ramen die uitkeken op een pracht van een tuin. Tegenover mij de dokter achter zijn bureau. Op dat bureau een pennenhouder met verschillende dure pennen, als teken van zorgvuldigheid, een opengeslagen boek dat onmiskenbaar zijn wijsheid voorstellen moest, een pc die enkel duurzaamheid kon uitbeelden, en dit vanwege ouderdom, en nog wat boeken en kaften ernaast, voor de bedrijvigheid. Achter de dokter stond een boekenkast die de hele wand in beslag nam, vol boeken van minstens 6 cm dik. Deze man had gestudeerd, daar kon je van op aan. Rechts van mij hing de kalender, de datum correct omlijst door zo'n verschuifbaar blauw plastic kadertje. Deze man had zijn zaken netjes op orde, en dat liet mij dan weer toe wat onderuit te zakken in mijn stoel.

Na twee uur kreeg ik een voorschrift en een datum voor een volgende afspraak mee naar huis. Ik viste zo'n kalender met een plastic kadertje uit mijn schuif en hing hem op langs mijn deur, klaar om mijn eigen zaakjes te gaan regelen.

Vandaag is het al volgende week, althans volgens de kalender. Wat ben ik toch mijn tijd vooruit.

Mag ik u

Mag ik u verzinnen,
Als ik ziek ben en er is niemand om tegen te grienen,
of om thee maar dan wel zonder citroen aan te vragen,
om aan te zeggen dat mijn toestand is verbeterd zo te zien,
en dat ik morgen wel weer fit ben, want dat is wat de dokter zei.

Als het winter is en ik de trap neem als het al donker is
om zes uur ’s avonds,
en ik boven voor de zekerheid nog eens onder mijn bureautje kijk,
de boef verstopt zich zeker daar, want mijn matras ligt op de grond.

Als ik denk aan toen ik nog kleine kleren droeg,
en mama ’s morgens nog eventjes mee mijn bed in kroop,
aan plasticine die toen nog eetbaar was,
maar speculoospasta nog niet, okee, want
ik nam op mijn boterham toch altijd wat Nina wou (choco!).

Als ik de hele dag in mijn pyjama loop want straks moet ik hem toch weer aan,
mag ik u dan verzinnen alstublief?

g e p u b l i c e e r d v l e e s

De nieuwe Op Ruwe Planken (8.1, Apekooien) is een bundel met alleen maar winnaars. En wel in de disciplines apenverhalen, derdehelftgedichten, ironisch navelstaren, nonsens adequaat opwaarderen, versvertalen, momenten nodeloos (maar mooi) uitvergroten en een aantal mengvormen. O, en ‘net nog even voordat je de redactie verlaat recenseren’, een totaal nieuwe discipline. (Myrna, bedankt!)

Koop dit blad en u heeft een topprestatie in handen!

Met Sander Meij, Bart de Block, Henk van Straten, Amanda Visch, Hanneke van Eijken, Eric Rosseel, Eva Mouton, Wibo Kosters en Ian Reddish. Vicky Francken vertaalde een gedicht van de Franse dichter Philippe Delavau.

ORP 8.1 is voor slechts 3 euro verkrijgbaar bij deze boekhandels. Bestellen kan ook per e-mail (dit is zonder verzendkosten!): administratie [at] op ruwe planken punt nl.
En voor slechts 10 euro per jaar ben je abonnee van het ruwste tijdschrift van Nederland!

Woensdag kip met frietdag.


Ze vinden mij een rare maar ik kan dat telkens weerleggen. “Lezen is letters oogsten,” zeg ik dan, “en wij hebben thuis nu eenmaal een CR9090 staan.” Meestal hebben ze daar niet van terug en siddert hun hersenpan van de inspanning, dat zie ik wel. Uit hun oren druipt een koffielepeltje schedelsap. Mocht die CR9090 zijn werk toch nog niet naar behoren hebben gedaan, mompel ik er nog iets achter. “Jammer toch van die toenemende jaloezie over dat ding.” Ik kijk naar boven alsof ik tegen God zeg dat ik straks wel op de koffie kom, als ik de mensheid van haar zeven hoofdzonden heb bevrijd.
Retorische vragen doen het doorgaans ook goed: “Tina Turner, kiest die haar kapsels zelf?” vraag ik, met een lijf in kaarsrechte houding en de ogen een lichtjes toegeknepen, om mijn vraag meer body te geven. Soms laat ik mijn hoofd er bijna onmerkbaar bij knikken, als extraatje zeg maar, zoals die van wiskunde doet wanneer ze het over de toets van volgende week heeft en dat wij moeten studeren want wie gaat later onze kinderen anders te eten geven, denken wij?
Details, daar draait het om. Een vraag of stelling zonder ondersteunende lichaamstaal kan je al beter via het internet de wereld in sturen, en geloof me: dat medium ligt mij niet.

Vorige maand was ik aan het chatten met een meisje dat ik toevallig uit het web had geplukt. Flower4u2@hotmail.com tikte ik in op msn, en bijna gelijktijdig kwam dat kind online. “a/s/l?” vroeg ze. “Hebt gij niets beters te doen?”: mijn antwoord. “Rare”, zij weer. En nog voor ik uit mijn hoofd een oneliner van het briljante soort kon scharrelen ging zij weer offline. Nou, dat vond ik niet keurig. Daarom stuurde ik een e-mail, die ging als volgt:

Beste Flower4u2,

Deze morgen heeft ons moeder haar vrouwentong afgestoft.

Groetjes!

Ja, ik stond op scherp, dat kon je wel zeggen. Niet veel later al een mail terug. Of ik niet gewoon mijn perverte muil kon houden? En ook: “Ik heb u geblokkeerd, loser, dus probeer maar niets terug te sturen.” Ik besloot een poosje met mijn duimen te gaan draaien, ter bevordering van de bloedsomloop. Zo werkt mijn kop sneller. Een antwoord moest ik vinden, een paar woorden, één zinnetje maar dat haar zou blijven achtervolgen tot haar tachtigste. Maar ik kon niet antwoorden want die kutkip had haar inbox afgesloten voor alle genialiteit. Zonde, bijna. Wist ik haar echte naam? Nee. Een adres misschien? Negatief. Hobby’s? School? Leeftijd? Huisdieren? Favoriete bekende one night stand, Leonardo Di Caprio niet meegerekend wegens te cliché? Niets van dat alles. Dit werd moeilijk, zelfs voor mij.

’s Nachts ploegde ik door mijn donsdeken, onrustig als een hond die hét plaatsje niet vindt om zijn drol op te draaien. Die Flower had mij in haar macht, en dat beviel mij niet. Ik deed een t-shirt aan en ook mijn laptop. Google bood geen uitkomst en Wikipedia suggereerde om zelf een pagina over Flower4u2 aan te maken of aan te vragen. Duimgedraai, tenengewiebel, lang moest dat niet duren. “Beste Wiki, ik doe het!” fluisterde ik, moeder en vader moesten er hun nachtrust nu ook weer niet voor laten.

Rond zonsopgang had ik een ruwe versie klaar van wat dé lasterpagina op Wikipedia moest worden. Het polijsten van de tekst ging als vanzelf: overdrijven mocht en als iemand ooit een alfabetische lijst van scheldwoorden moet gaan maken, ben ik dat wel. Doch, het bleef stijlvol. Een nietsverhullende foto van een halfnaakte bezopen puber erbij en klaar was kees. Nog voor de koffie helemaal was doorgelopen stond mijn tirade al op het internet, perfect.

Om twaalf uur was de school al uit. Woensdag kip met frietdag, ik snelwandelde naar huis. In de voortuin viel nog geen spoor van vet te ontwaren, eigenlijk had ik kunnen voorspellen dat er iets gaande was. Ons moeder zat aan tafel, snikkend. Vader met een hand op haar schouder. Ontroerend tafereel, ware het niet dat twee mannen in uniform de boel licht ontsierden. “Liesbeth De Keukeleire?” vroeg de snorrigste. Ik tekende present. “Is deze computer van jou?” Hij wees naar mijn laptop, die zich onder de arm van de andere agent bevond. Moeder plukte nog een tissue uit de doos, vader schudde zijn hoofd en keek naar beneden. Had ik niet beter geweten, dan waande ik mij in een Amerikaanse serie, type The O.C. Maar het was geen serie want er was geen ondertiteling en het licht zat ook niet echt perfect. “Ja”, zei ik, gniffelend om mijn bedenking, “van mij.”

Ondertussen zit ik hier al twee weken. We hebben een tuin met bomen en struiken en gras dat zo groen is als in mijn Tiny boeken van vroeger. Er is ook een ezel, twee kippen en een varken! Het eten valt wel mee. Woensdag is het kip met frietdag, net als thuis. Bovendien hoef ik voorlopig niet naar school.
“Zie het als vakantie, een rustperiode om uw batterijen terug op te laden,” zei de directrice toen ze mij mijn kamer wees. “Graag,” antwoordde ik, en plofte op het bed. Ik keek rond: een bescheiden maar leuk bureautje, mijn eigen wastafel, een nieuwe pennendoos. “Is hier ook internet?” Maar mevrouw was al verdwenen.

Voor Kleine Pooh, R.I.P. 19/09/2008

Het gedicht schreef ik vier jaar geleden, na een dagje zonnen met de poes in de tuin. Ik won er net niet de scholenwedstrijd mee, maar dat gaf niet, want het gedicht was voor op zijn tijd, dat wist zeker. Ik las het vrijdag voor, toen wij begrafenis hielden voor Kleine Pooh, de avontuurlijkste poes die ons gezin ooit heeft gekend. Hij werd sneeuwwit geboren op de kolenhoop van een boer uit de buurt en werd grootgebracht door de haan omdat moeder was verdwenen. Op het boerenhof liep ook een kalkoen die bijna even groot was als ik toen, elf jaar geleden. Ik koos het katje met het rare kopje, want van de underdog hield ik wel in die tijd. Na een jaar bleek dat de poes aan een zeldzame ziekte leed waarbij hij zijn eigen immuunsysteem afbrak, de dierenarts kwam ons speciaal zeggen dat wij er niet op hoefden te rekenen dat het beest nog lang zou leven. Zijn poot ging meerdere malen in het gips en genas altijd uitstekend. Ook bleef hij soms een paar nachten weg, en kwam hij thuis met gehavende oren of neus. Een keer bracht hij een konijn mee naar huis en peuzelde het op in de wintertuin, terwijl wij zaten te ontbijten. En als ik in het gras lag met een Humo, vleide hij zich lekker op het tijdschrift, strekte de poten en fleemde om kriebeltjes onder zijn kin. Tot het voor hem genoeg was geweest en hij me van een klauw in de arm voorzag. In de loop der jaren hebben wij allemaal voor hem gezorgd. Eerst gaf mama hem te eten, toen wij verhuisden bleef Pooh bij papa en voorzag hij in zijn voeding, en toen Nina en ik onze puberluiheid hadden overwonnen gaven wij het beest te eten wanneer wij op bezoek kwamen. Nu Nina en Sven in het huis wonen, gaven zij hem afwisselend te eten, en wanneer ik dan op bezoek kwam, gaf ik nog wat extra's, en dat hoefde papa dan weer niet te weten.

"Het was een lieve poes", zegt B. Maar ik zeg: "Nee, het was een avontuurlijke poes, en hij was degene die ons allemaal verbond."


Soezen

We hangen samen
tegen de hete
stenen muur
en slorpen zorgvuldig
zonnestralen op,
alsof het al de laatste zijn.

Jij kronkelt, ik zit
Jij spint, ik zucht
Jij krult, ik zit
nog steeds,
maar nu met wel
honderd witte haren
door mijn trui geweven.

Je natte neus botst met mijn hand,
je vette vacht tussen mijn vingers,
je ruwe tong tegen mijn arm,
in de vlucht

En een vroege lentevogel trippelt
-voor mij geruisloos- langs
en weg ben je,
jouw wereld in,
de mijne reeds vergeten.

yes

Soms word ik de hele nacht niet wakker en droom ik dat de baas van mijn lief werd onthoofd en ik zijn kop als eerste vind, het ligt op de schommel te wiegen in de tuin van mijn oude huis in Waasmunster. Of er is die meneer met zijn schietgeweer zonder gezicht, ik peuter loodjes uit mijn billen en rug en voel die pijn alsof het echt is. Maar ook wel eens dat ik trouw en de taarten nog zelf aan het versieren ben, met marsepein in alle kleuren en de tafels dek ik met mijn tante M. want zij heeft daar altijd al verstand van gehad.

En zo gaat dat maar door, en zo is het altijd geweest. Maar tegenwoordig word ik steeds vaker wakker in het midden van de nacht omdat ik mijn kaken zo hard tegen elkaar houd geklemd dat mijn tanden er pijn van doen. Het tandvlees is ontstoken, ik fiets naar de apotheek, maar dat is allemaal niet zo boeiend. Vandaar dit lege weblog.

Goed, intussen leest u mijn columns op de website van Club Propaganda en voel ik me vrij om in alle rust te schrijven en te wachten tot ik deze pagina weer volgooi; hopelijk met 'afgewerkt gerief'. Ik werk eraan, en geef de planten water.

Brief

Lieve,

jongen. Ik zit op het terras met een tas thee en rook een sigaret. De wind waait in scherpe tonen en alles is donker. Ik kijk naar boven, ook hier geen sterren te zien. Een zee ruist in golven. Voor de rest is alles stil. Ik lieg: papa zapt de Franse televisie in gehakt. Nina is al gaan slapen.

Alles is hier zo pastel. De lucht, dik en grijs en wit, vermengd met het donkerblauwe van de zee. Het lichtgele strand en het droge gras staan nooit stil, maar altijd gebukt onder de knoertharde wind. Zelfs mijn gedachten worden er een beetje pastel van gemengd; deze wind waait alles weg. We gaan hier elke dag stappen, heel het strand af, en we komen terug met de wind in de rug en pijn in onze benen, maar dat is niet erg.

In het appartement lezen we veel, of we spelen spelletjes. Ik ben bezig in Turks fruit. Door alle seks heen lees ik over een man die gewoon heel hard de liefde van toen, die nu niet meer is, heeft gemist, en dat schreef hij neer.

Ook zijn hier veel meeuwen en schelpen in paren. Hoe zwemmen die schelpen voor zij op het strand onder mijn voeten belanden? Zij kraken als chips, maar dan harder.

Eva


Hilton

Ik kijk in de brievenbus, naar gewoonte, en zal ook deze morgen geen brief vinden die aan mij persoonlijk is gericht, met krullige letters en een originele postzegel en alles erop en eraan. Wel de krant en een papier waarop in schreven staat getypt: ‘Vermist sinds 2 juli 2008: ons Molleke. Breng alstublief onze poes terug naar huis. Binnenkort ben ik jarig en jij bent mijn liefste geschenk, Molleke.’ Onder de tekst: een telefoonnummer en een wazig kiekje van een poes die inderdaad enkel de naam Molleke hoort te dragen. Het is een zwarte poes die ofwel goed in haar vlees of goed in het haar zit, dat kan ik zo meteen niet zien. Met witte oortjes en ogen die lijken te schreeuwen dat alleen ik haar moet strelen.

Ik vouw het papier in twee en vrees het ergste voor onze Mollie. De afgelopen maanden zag ik opvallend veel A4tjes met de liefste poezengezichten in het straatbeeld krollen. Op een gevel geplakt, scheef en in stapels op de toog van de kleine krantenwinkel, scheef en in stapels op de toog van de grote krantenwinkel, onder de deur gemoffeld, tegen een vuilbak gekleefd. Is het omdat ik er op let, of verdwijnen er nadrukkelijk veel van die eigenwijze haarballen? En waar gaan zij dan naartoe? Misschien is er iets als een Hilton voor poezen opgericht in het Gentse, maar dan gratis, en zitten zij daar met z’n allen aan de koffie.

Ik loop naar boven, zet thee, wrijf het KGA van de zandman uit mijn ogen en placeer mij aan tafel. Het ontbijt staat al klaar, de krant vouw ik open. Het binnenland sla ik over. Ik weiger onze politiek het plezier mijn levensduur te verkorten met maanden of jaren. Daar is het buitenland al, niets nieuws onder de zon. Financiën, dan liever een nekschot. Sport, daar vliegt het uiltje reeds dat ik terug wil knappen. Ik lees Garfield en Hagar door, vind er niets aan, los een raadsel op en laat mijn bordje op de afwasberg balanceren. De perfecte toren, besluit ik. De sport en het A4 verscheur ik tot snippers, want ik heb nog zeven en een halve minuut de tijd. Daarna zet ik mijn vlucht naar beneden in.

Daar staat mijn fiets al, paraat voor de rammeltocht. Ik klik de poort open, klaar voor de wind, die mij wellicht koud in’t gezicht zal blazen en de poort uit mijn handen kletsen zal. Goed, zover zijn we, ik spring mijn fiets op en vertrek.

Iets in mijn ooghoek krauwt me uit de ochtendroutine. Toch, nu is het zaak door te rijden, of ik kom te laat. Jammer, daar doen de remmen hun werk reeds. Ik keer mijn kop en zie een poes kantelen voor de poort. Ze zit goed in haar vlees, of in het haar, dat kan ik zo meteen niet zien. Meteen flitst het A4 door mijn kop. “Molleke toch”, mompel ik. “Molleke”, en ik gooi mijn fiets tegen de gevel. Ze komt naar mij toe gehobbeld, als wil zij bewijzen dat zij flink luistert naar haar naam. Haar ogen staan in vijvers, ik geef haar een aai over de kop. Nu ren ik naar boven en haal een schaaltje water, dat zij niet aanraakt wanneer ik het voor haar neerzet. Opnieuw naar boven, met twee treden tegelijk, brullend dat ze daar vooral moet wachten, en ik ga op zoek naar het A4tje van de eigenaar. In snippers, verdomd, ik probeer het telefoonnummer te puzzelen, natuurlijk tevergeefs. Een puzzelfreak ben ik nooit geweest. Wij hadden er wel een van Bert, en een van Ernie, 16 stukken in totaal kon ik net nog aan. Weer naar beneden, trager nu. “Molleke”, zeg ik, “ik vind het telefoonnummer van uw baasje niet, ge zult nog efkes moeten wachten.” Stilte. “Mollie?” Daar ligt zij op de rug, het bekje opengesperd, alle hulp kwam te laat, meneer. Dat schaaltje water staat daar nu ook maar lullig, ik zet het vlug achter de poort. Haar oogjes sluit ik zoals zij deden met Leonardo in die film, met die andere acteur, met zijn zwarte haar, en hij sterft door de kogel van zijn vader, maar wat is hij de held. Ik verschuif haar dode, maar nog warme lijfje wat meer naar rechts, voor de gevel, en van die poort vandaan. De dodedierenophaaldienst komt erom, verzekeren zij mij aan de telefoon. In de namiddag, want zij hebben nog drie posten te doen. “Goed”, zeg ik, “maar kan ik niet nog even wachten op haar baasje?” Nee, dat kan niet, maar ik heb er goed aan gedaan te bellen, wordt mij beloofd door de stem. Daarna een klik. “Slaapwel Molleke,” sluit ik af, en ik fiets naar de plaats waar het werk is.

Wanneer ik terugkom ligt dat donzige lijk op het fietspad gelegd, naast de berm en de vaart, tegenover ons huis. Zo zal dat beest daar nog een week liggen. Daarna is het weg, maar ik ruik aan de stank dat iemand haar gewoon in het hoge gras van de berm heeft gesmeten.

Op een avond neem ik mijn laptop en typ ik een mail die beleefd, doch met aandrang vraagt aan stad Gent wanneer hun ophaaldienst het ziet zitten weer het werk op zich te nemen. Ik hoop maar dat al die andere poezen wel in het Hilton liggen luieren, en na een lange, maar deugddoende vakantie wederkeren naar huis, zij zullen contact houden met elkaar, via e-mail of post.

KRAAI

Vanaf heden te lezen op www.clubpropaganda.nl : de tweewekelijkse column van schrijverscollectief KRAAI. Op de website doorklikken op 'lezen' en dan 'KRAAI column' aanvinken.

Afgelopen woensdag hadden wij een boeiend gesprek met Marc Verstappen (Villanella) over de toekomst van KRAAI. Wij zullen ons concept wellicht aanpassen, maar laat dit u vooral niet tegenhouden om massaal teksten in te sturen. Zij zullen niet verloren gaan in het webmoeras.

Eindelijk beroemd, of: mijn kop boven de betonpomp machinisten.

http://www.deweekkrant.nl/files/pdfarchief/GNC/20080622/ZKN_ZKN-1-06_080622_1.pdf


MUG

Ik leg mijn kop te rusten op mijn kussen, na een dag die lang genoeg heeft geduurd. Het kussen schud ik nog even dik. Ik klop eerst de linkerkant, dan de rechter, waarna ik met mijn hand de fatale slag in het centrale middenstuk toeken. Zo, dat is maar best.
Nu draai ik mij weer op de rug, in één beweging. Als was ik een net gevangen vis die door de brutale hand van zijn visser op de zij wordt gekeerd, waarna hij de dood wordt ingekletst. Ik zag zo’n tafereel eens in de zomer van ’92, toen de levens van moeder, vader, zuster en ik zich twee weken op het meest regenachtige eiland van Italïe voltrokken. Ja, dat waren tijden. Niet plooien onder de val der herinnering, Eva. Geslapen zal er worden.
Ik lig dus op de rug in een bed dat niet van mij is en staar naar het plafond dat niet van mij is. De ogen worden gesloten, er is zwart. Zwart is goed. Ik keer me op mijn buik, weer die vis. Belachelijk is de gedachte mijn slaap te kunnen inrekenen wanneer de achterkant van mijn lijf in de matras is gelegen. Ik plooi mijn armen onder het lijf en mijn hoofd ligt op de rand van het kussen, wat de ademruimte alleen maar ten goede komt. Zo lig ik perfect, alles is stil, nu kan ik slapen, dat is mijn recht.

Een mug perst haar slijpschijf in gang, ergens vanuit de hoek van de kamer. Onhoorbaar, bijna. “Eva is onoplettend, tijd om te kwellen,” hoor ik haar denken. Ik weet dat ze dat denkt, met die kleine kuthersentjes in die kleine kutkop van haar. Ze komt dichter, het slijpen wordt luider, ik trek de deken dichter tegen me aan, als een dam. Meer kan ik niet doen. Zij heeft mijn oor gevonden, ik sla met een arm, als opgejaagd wild. Zij neemt afstand, slaat weer toe, opnieuw die arm, ik draai mijn kop. Eén keer, twee keer, drie keer, vier keer, maar geen vijf. Ik ben toch geen beest? Er moet gehandeld worden. Ik graai in het donker en knip de lamp aan, pupillen die krimpen tot mosterdzaad. Geduldig wacht ik in kleermakerszit op de slijpschijf, want zij zal dra naar het licht komen vliegen, en naar mijn lijf dat slechts in onderbroek is gehuld. Ja, aan al die snoeperij zal dat kutbeest niet kunnen weerstaan. Hoort, daar is zij al. Ik spring recht en klap in mijn handen. Gemist, zij trekt zich terug. Ik plof terug op de matras, een overgave veinzend. Daar zet zij terug de aanval in. Opnieuw veer ik recht en probeer haar te vangen. Vruchteloos. En zo gaat dat maar door, een half uur lang, tot ik in mijn handen klap en er een lijk tegen mijn handpalm plakt. Haar pootjes bewegen nog een beetje, ik zet mijn duim er nog eens tegen. Voor de zekerheid. Ik leg het lijk met eerbied op de grond, een eerlijke strijd is gestreden.

Nu sta ik recht, ik gooi mijn hoofd in mijn nek en lach hysterisch en luid. Een buurvrouw slaat tegen de muur die haar bed van het mijne scheidt. Gerechtigheid is geen liefdadigheid, ik schud mijn kussen dik.

Zo.

Alsof mijn mond vol tandpastaschuim zit en
er geen lavabo te vinden is.
Zo rusteloos, en een beetje bang, zo voel ik me vannacht.

Ik schurk mijn aansteker in vlam en zou nu deze tafel in brand kunnen steken, en kijken wat er gebeurt. Ik zou het ook niet kunnen doen. Stel dat ik het doe, dan moet ik aan mijn tante vertellen wat mijn beweegreden is geweest, op zijn minst. Ik zou "gewoon" moeten antwoorden, zonder komma of puntjes erbij. En daarna zou de psycholoog een praatje met me slaan en zou ik tijdelijk ontoerekeningsvatbaar kunnen worden verklaard. Ik zou een tafel moeten betalen, en misschien de rest. Stel dat ik het niet doe, dan blijft deze avond even saai en zonder enige vorm van experiment.

Trek een grens. Doe het.

Vuur is als Jonatan's vissen. Doorzichtig, licht gekleurd, en glanzend en ongrijpbaar. De tafel fikt, vissen zwemmen een rondje voor de sport en kijken nieuwsgierig naar mijn kop. Mijn mond doet vissenmondjes na, ik hoor die vuurtjes lachen.

Zouden vissen drinken, zoals wij ademen? En in welke mate dan?

Misschien best mijn laptop even in veiligheid brengen. Ik zet hem op mijn schoot en typ verder. Nog even van de dichterlijke vrijheid genieten, en Appelsientje lest mijn dorst. Wat een onzin en verveling. Zouden vissen zich vervelen? Of koeien? Of zouden hun hersenen net groot genoeg zijn om het allemaal niet te veel te beseffen? Zouden vissen zich vervelen als hun hersenen even groot waren als die van koeien? Zou ik me niet vervelen wanneer ik voor stukadoor was gegaan?

Ik staar naar de vissen en zwaai met mijn handen, die ik kort tegen mijn lijf hou, als vinnen. Ik moet daarom lachen. De vissen laat ik leven, maar de tafel is reeds kampvuur. Ik neem mijn laptop van mijn schoot, draai me om en sluit de deur. Zo. En dan nu even naar tante bellen.


Het was als ganzen.

Hoe meer je vluchtte, hoe meer deeltjes er van je V-formatie in het Zuiden achterbleven.

Gelukkig zijn de gordijnen niet dicht.

Mijn raam staat open in de nacht. Het water ligt in 't diepste zwart en vonkt korte, witte plekjes. Alsof er tientallen toeristen uit de verte foto's aan het flitsen zijn. Ik zwaai naar hen, zij zwaaien terug, geloof ik dan. Er is verbeelding, er is ziekte en ik rook een sigaret. Ik rook te veel en eet te veel en straks wellicht nog choco uit de pot. Oma eet chocola tegen de tweezaamheid. Zij weet al hoe haar graf eruit zal zien. Zij wist dat tien jaar geleden al. Toen ik elf was stierf opa en ik vroeg aan papa waarom hij het graf zo groot had gemaakt. Hij kon daar niet op antwoorden en toen vulde ik alles zelf maar in. Er is verbeelding, en de nachtmerries die daaruit volgen. Er is ook ziekte, daar stierf opa aan. Althans aan de hersenbloeding. Ik rook nog een sigaret.

Wij bezoeken opa in het ziekenhuis. Ik mag niet lachen, maar ik wil geloof ik ook niet lachen. Nina houdt mijn hand vast, ik houd opa's hand vast, want dat heeft mama mij gevraagd. Ik kijk zoveel mogelijk naar buiten, waar er werken zijn. De kliniek breidt uit en er zijn twee gele armen die dingen grijpen en naar boven hijsen. Gelukkig zijn de gordijnen niet dicht. Ik spiek naar opa zijn gezicht, zoals ik doe op zaterdagavond naar teevee, wanneer ik op mama's schoot naar de detectivereeks op Canvas kijk en mijn hoofd gedraaid op haar schouder ligt. Ik spiek naar opa's gezicht, dat er wit en ingevallen bij ligt. "De verpleegsters haalden opa's tanden eruit, voor het gemak." Ik kijk terug naar buiten. Opa geeuwt, zijn tong is droog als Portugese grond. "Opa heeft niet veel meer gedronken, maar het infuus drinkt nu voor hem, kijk maar." Ik kijk, maar naar buiten en ik bid dat ik alsjeblief zo weinig mogelijk nachtmerries krijg, en ook dat opa weer wakker wordt. Dan gaan wij naar de gang en naar buiten, waar de gele armen werken, die mij ophijsen naar boven en ik draai in het rond. Nina en mama worden een dubbel puntje in geroezemoes. Dan gaan mijn ogen dicht en ik luister naar Porcelain van Moby, dat toen helemaal nog niet geschreven was. De kraan laat los, ik val en opa's slangen piepen. Nu haalt oma haar tanden uit, want lachen zit er niet meer in.

En al wat overblijft is de sigaret.

Tafelkleed

Het is een schoon tafelkleed, want ik keerde het om vorige week, toen ik zag dat er chocola en ook spaghettisaus op lagen gemorst. Het is rood met witte ruiten, het is een schoon tafelkleed. Dit moet ik alleen doen, of hoogstens met wat namaakplanten van plastiek erbij. Er groeien zelfs nevengeschikte zinnen uit mijn vingers en ik lik ze af en spuk ze uit in het net. Daar zit een zalm gevangen in. Wist je dat ik soms een zalm wil zijn en gewoon koppig door wil zwemmen? Zalmen hebben kleine hoofden, die louter eten en later zelf worden gegeten. Ik grabbel nog een oneliner uit mijn kop en zet die achter dit en voor iets anders. Niets hangt samen maar dat geeft niet, en tijd gaat gewoon maar worden rimpels.

Er steekt een mug, ik doe ze dood. Hier ligt weeceepapier op tafel want ik snoot erin en hier is niemand, dus ook niemand die daar last van heeft. Waarschijnlijk rent er een microbe over het kleed over het tafelblad op zijn poten. Ik moet mijn valies nog maken maar heb daar helemaal geen zin in.

Mijn kop ligt op tafel en ik gieter het leeg op het tafelkleed, dat schoon is want ik keerde het om vorige week en het is rood met witte ruiten.


/ Moby / Dj-set Culture Club

Daar zijn geen woorden voor maar wel veel zweet.

Zelfkennis om 10.34u

Tim en ik stappen uit de sigarettenwinkel op de hoek.
"God ja, mei '68", zucht ik. "We blijven steken in de nostalgie", poneert hij. "Een beetje revolutie zou deze maatschappij nochtans geen kwaad doen. Met de deuren slaan en schreeuwen", repliceer ik. "Ja, ik maak plannen om mijn master in het buitenland te doen. Ik ben al aan het kijken op websites enzo." "Ha, goed." "Ja. België is te klein." "Ja." "Waarschijnlijk blijft het toch bij plannen en komt er weer niets van in." "Ja."

Het blijft stil.
Ik zeg: "Er zijn denkers en doeners, Tim. Wij zijn denkers. En niet eens zo'n goeie."
Ik zwaai naar zijn rug, hij zwaait naar de mijne. Ik moet dringend een andere richting uit.

Aan Line

Ach lieve Line,

verontwaardiging is een emotie die ik slechts kan toejuichen. Immers, dan doe ik iets met je. Erger zou een totale negatie van jouw persoon zijn, langs mijn kant. Dan zou je mogen opmerken dat je werkelijk niets voor mij betekent. Dat onze relatie, als wij deze gekke worsteling zo mogen noemen, berust op emoties als verontwaardiging, een lepeltje wantrouwen, af en toe een boze Line waarop ik nog bozer, noem ik bijna één van de zeven zaligheden.

Soms, wanneer ik in de Sint-Lucas bieb genesteld zit, kom jij voorbij gestormd met tekeningen in de ene, een grote tas in de andere hand, en zie jij me niet zitten. Dan probeer ik oogcontact, maar raast jouw oog van de storm op zo'n manier voorbij, dat ik denk: ach ik laat, wij zien elkaar in betere tijden. En vooral minder drukke. Ik zie je naarstig tekeningen inscannen, lachen om je myspace, gelukkig zijn met de liefde, en mijn moederlijk oog ziet dat het goed is. Ik blader in een boek en nog een en nog een, want geduld is een eigenschap die ik klaarblijkelijk nog steeds niet bezit.

Thee drinken in knusse zetels en lachen om de saaie wijfjes die wij zijn, die wij allen in wezen zijn, dat vind ik net zo leuk. Jij die boos wordt om het schilderij dat ik stal van jou. Ik die nietsvermoedend opkijk uit een gesprek met een of andere docent. Jij die me gebiedt Athos te bellen, nu. Ik die de gang in loop, woorden schreeuw waar nog veel ochtenddauw aan plakt. Jij die terugschreeuwt, wij negeren elkaar een uur. Dan loop ik woest naar je atelier, om te reageren op het blog dat je schreef, maar iemand houdt me tegen en zegt dat woede niets oplost. Ik drink koffie in de plaats en maak tekeningen, met hetzelfde onozele ongeduld als net. En dan bel jij met sorry en te voorbarig. Jij die je frustreert over mijn twee gezichten: mijn gortdroge sociaal gehandicapte kant die niets zegt wanneer ik niets zeggen kan, in combinatie met die andere, kwetsende mopjes makende kant. "Tweelingen he". Jij die me opraapt wanneer ik val tijdens de les kunstactualiteit. Ik die je twee minuten daarvoor uitlachte toen je uitschoof in de gang, en je nog net staande wist te houden. Je brengt me een doos met chocola om de notities die je mocht. En zo leefden zij nog lang en gelukkig, met af en toe wat wantrouw, en te veel melige woorden over dit alles. Uit meligheid is nog nooit goed schrijfwerk voortgesproten. Fuck dat, ik wou dit schrijven, reactie verwacht ik niet. Waarschijnlijk ben je boos op mij. Ik kan dat slechts toejuichen. Jij schuift uit maar houdt je staande. Ik schuif uit en val op beide knieën.

Ik kom van de bakker. De zon schijnt, dus ik glimlach, ongewassen. Een man stopt en vraagt hoe laat het is.

"hello,
you know what time it is?"

Ik neem mijn gsm. Natuurlijk beste man, weet ik hoe laat het is. Pom pom.

"it is five past one"

Het is een feestdag voor iets.

"you live here in the neighbourhood?"

Ik kijk naar mijn kot, dat zwart achter de man rust. Ik heb mijn huissleutel al in de linkerhand. Ik twijfel.

"yes i live here."

"I know you from university."

"but i don't go to university."

"what do you do?"

"I do sint lucas."

"are you a doctor? Or a nurse?"

"no, i do art."

Ik merk nu pas zijn gelige ogen op. Problemen met de lever misschien?

"you are a beautiful lady."

"oh ehm."

"you know that?"

Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin.

"ehm..."

Ik ben nog ongewassen en gisteren was het feest. Ik geloof niet dat ik er heel beautiful uitzie.

"I like beautiful lady's like you, do you have a boyfriend?"

"yes."

"are you engaged?"

Ik twijfel. Oh god, waarom ook niet.

"yes, kind of."

"and where is he now?"

"he's in the house."

Een leugentje hier, een leugentje daar. Pom pom.

"oh, is he a good boyfriend?"

"yes, he treats me well."

Dat stal ik van MTV.

"oh well, i wish you the best."

"you too, all the best."

"bye."

"bye."

Ik steek over en wens hem in stilte een beautiful nurse toe. Zolang hij maar niet mee oversteekt.