Ik kijk in de brievenbus, naar gewoonte, en zal ook deze morgen geen brief vinden die aan mij persoonlijk is gericht, met krullige letters en een originele postzegel en alles erop en eraan. Wel de krant en een papier waarop in schreven staat getypt: ‘Vermist sinds 2 juli 2008: ons Molleke. Breng alstublief onze poes terug naar huis. Binnenkort ben ik jarig en jij bent mijn liefste geschenk, Molleke.’ Onder de tekst: een telefoonnummer en een wazig kiekje van een poes die inderdaad enkel de naam Molleke hoort te dragen. Het is een zwarte poes die ofwel goed in haar vlees of goed in het haar zit, dat kan ik zo meteen niet zien. Met witte oortjes en ogen die lijken te schreeuwen dat alleen ik haar moet strelen.
Ik vouw het papier in twee en vrees het ergste voor onze Mollie. De afgelopen maanden zag ik opvallend veel A4tjes met de liefste poezengezichten in het straatbeeld krollen. Op een gevel geplakt, scheef en in stapels op de toog van de kleine krantenwinkel, scheef en in stapels op de toog van de grote krantenwinkel, onder de deur gemoffeld, tegen een vuilbak gekleefd. Is het omdat ik er op let, of verdwijnen er nadrukkelijk veel van die eigenwijze haarballen? En waar gaan zij dan naartoe? Misschien is er iets als een Hilton voor poezen opgericht in het Gentse, maar dan gratis, en zitten zij daar met z’n allen aan de koffie.
Ik loop naar boven, zet thee, wrijf het KGA van de zandman uit mijn ogen en placeer mij aan tafel. Het ontbijt staat al klaar, de krant vouw ik open. Het binnenland sla ik over. Ik weiger onze politiek het plezier mijn levensduur te verkorten met maanden of jaren. Daar is het buitenland al, niets nieuws onder de zon. Financiën, dan liever een nekschot. Sport, daar vliegt het uiltje reeds dat ik terug wil knappen. Ik lees Garfield en Hagar door, vind er niets aan, los een raadsel op en laat mijn bordje op de afwasberg balanceren. De perfecte toren, besluit ik. De sport en het A4 verscheur ik tot snippers, want ik heb nog zeven en een halve minuut de tijd. Daarna zet ik mijn vlucht naar beneden in.
Daar staat mijn fiets al, paraat voor de rammeltocht. Ik klik de poort open, klaar voor de wind, die mij wellicht koud in’t gezicht zal blazen en de poort uit mijn handen kletsen zal. Goed, zover zijn we, ik spring mijn fiets op en vertrek.
Iets in mijn ooghoek krauwt me uit de ochtendroutine. Toch, nu is het zaak door te rijden, of ik kom te laat. Jammer, daar doen de remmen hun werk reeds. Ik keer mijn kop en zie een poes kantelen voor de poort. Ze zit goed in haar vlees, of in het haar, dat kan ik zo meteen niet zien. Meteen flitst het A4 door mijn kop. “Molleke toch”, mompel ik. “Molleke”, en ik gooi mijn fiets tegen de gevel. Ze komt naar mij toe gehobbeld, als wil zij bewijzen dat zij flink luistert naar haar naam. Haar ogen staan in vijvers, ik geef haar een aai over de kop. Nu ren ik naar boven en haal een schaaltje water, dat zij niet aanraakt wanneer ik het voor haar neerzet. Opnieuw naar boven, met twee treden tegelijk, brullend dat ze daar vooral moet wachten, en ik ga op zoek naar het A4tje van de eigenaar. In snippers, verdomd, ik probeer het telefoonnummer te puzzelen, natuurlijk tevergeefs. Een puzzelfreak ben ik nooit geweest. Wij hadden er wel een van Bert, en een van Ernie, 16 stukken in totaal kon ik net nog aan. Weer naar beneden, trager nu. “Molleke”, zeg ik, “ik vind het telefoonnummer van uw baasje niet, ge zult nog efkes moeten wachten.” Stilte. “Mollie?” Daar ligt zij op de rug, het bekje opengesperd, alle hulp kwam te laat, meneer. Dat schaaltje water staat daar nu ook maar lullig, ik zet het vlug achter de poort. Haar oogjes sluit ik zoals zij deden met Leonardo in die film, met die andere acteur, met zijn zwarte haar, en hij sterft door de kogel van zijn vader, maar wat is hij de held. Ik verschuif haar dode, maar nog warme lijfje wat meer naar rechts, voor de gevel, en van die poort vandaan. De dodedierenophaaldienst komt erom, verzekeren zij mij aan de telefoon. In de namiddag, want zij hebben nog drie posten te doen. “Goed”, zeg ik, “maar kan ik niet nog even wachten op haar baasje?” Nee, dat kan niet, maar ik heb er goed aan gedaan te bellen, wordt mij beloofd door de stem. Daarna een klik. “Slaapwel Molleke,” sluit ik af, en ik fiets naar de plaats waar het werk is.
Wanneer ik terugkom ligt dat donzige lijk op het fietspad gelegd, naast de berm en de vaart, tegenover ons huis. Zo zal dat beest daar nog een week liggen. Daarna is het weg, maar ik ruik aan de stank dat iemand haar gewoon in het hoge gras van de berm heeft gesmeten.
Op een avond neem ik mijn laptop en typ ik een mail die beleefd, doch met aandrang vraagt aan stad Gent wanneer hun ophaaldienst het ziet zitten weer het werk op zich te nemen. Ik hoop maar dat al die andere poezen wel in het Hilton liggen luieren, en na een lange, maar deugddoende vakantie wederkeren naar huis, zij zullen contact houden met elkaar, via e-mail of post.